woensdag 8 oktober 2014

Lucifer - vondel


Vondel

Vondel was al in zijn eigen tijd erg beroemd. In zijn lange leven (Keulen, 17 november 1587 - Amsterdam, 5 februari 1679) heeft hij veel gebeurtenissen uit de Gouden Eeuw becommentarieerd. Zelf kwam hij uit een protestants milieu, maar rond 1640 koos hij voor het katholicisme. Financieel ging het hem als kousenhandelaar goed, tot zijn zaak failliet ging en hij afhankelijk werd van een baantje bij de Amsterdamse Bank van Lening (de lommerd). Daar mocht hij onder werktijd schrijven – een uitzonderlijke situatie. Onder collega’s gold hij als de ‘prins’ der dichters, met een verwijzing naar het Latijnse woord ‘princeps’: belangrijkste.
Politieke en godsdienstige onderwerpen komen regelmatig in zijn werk voor. Ook schreef hij veel over Amsterdam, bijvoorbeeld een lofdicht bij de inwijding van een nieuw Stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam (1655). Met dat soort gelegenheidsgedichten kon je behoorlijk bijverdienen. Dat lukte Vondel echter maar matig, omdat zijn scherpe pen gewantrouwd werd.
Hij koos vaak duidelijk partij. Nadat raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1619 als ‘landverrader’ onthoofd was, beschuldigde Vondel in het toneelstukPalamedes of Vermoorde onnooselheit (onschuld) juist Oldenbarnevelts tegenstander, prins Maurits van Oranje Nassau, van landverraad. Omdat dat zeker voor opschudding zou zorgen, nam de schrijver voorzorgsmaatregelen. Hij verpakte de boodschap in een allegorisch verhaal [noot: een verhaal met een tweede betekenislaag; de personages en metaforen staan voor personen en gebeurtenissen uit de werkelijkheid] over de Trojaanse oorlog, publiceerde het stuk pas na Maurits’ dood in 1625 én anoniem. Toch werd al gauw bekend wie de auteur was. Vondel moest een boete van 300 gulden betalen en het boek werd verboden. Nu wilde natuurlijk iedereen het lezen; er verschenen illegale herdrukken. De schrijver bleef intussen bij zijn mening: jaren later maakte hij nog de felle hekeldichten Geuse Vesper en Het stockske.



dinsdag 30 september 2014

Reize door het Aapenland

J.A Schasz

J.A. Schasz M.D. is een pseudoniem. Onder de naam van J.A. Schasz verschenen diverse satirische werken. Het gaat hier om een pseudoniem dat mogelijk is afgeleid van het Duitse 'schas' of 'schasz'. Dit betekent 'scheet' en wordt gebruikt om iets minderwaardigs mee aan te duiden. Volgens literatuurwetenschappers gaat het in werkelijkheid om de schrijver Gerrit Paape (1752-1803). Mogelijk heeft hij het pseudoniem na 1780 overgenomen van Pieter 't Hoen (1744-1828). Paape maakte deel uit van de patriottenbeweging, die in 1787 in opstand kwam tegen stadhouder Willem V en zijn regenten. 
Samenvatting

Wanneer de verteller (een ik-figuur) zijn vrouw, diensmeisje, paard en hond laat verdrinken omdat hij geen besluit kan nemen wie te redden, wordt hij door woedende dorpsgenoten achternagezeten en moet hij vluchten.  Omdat het gerucht zijn misdaad heeft opgeblazen, vlucht hij steeds verder, tot in apenland.

Nadat hij bij aankomst zijn dienstmeisje als aap is tegenkomen en door een apenleider nr. 17 wordt genoemd, wordt hij door een andere aap onderricht over het apenland, suggererend dat de 'ik' vroeger ook een aap is geweest.

Een tijd later komt een vergadering bijeen handelend over het grote project van menswording. Bij de apen leeft namelijk de wens om mens te worden. Er ontstaan aangaande de realisatie van die wens twee partijen; de ‘humanitaire’ groep onder leiding van aap nr. 1, die het innerlijk van de apen wil verbeteren en de  ‘cabale’ groep onder leiding van nr. 5, die alle apen mens wil maken door ze de staart af te hakken.

Sommige apinnen vatten het woord staart op als 'mannelijk geslachtsorgaan'. Ze zouden in plaats van deze af te hakken, liever zien dat er een tweede lid aangezet zou worden. Nr. 1 raadt hen zogenaamd aan een rekest in te dienen teneinde nog een 'zinnebeeldige' staart aan te plakken. Nr. 5 zegt via een handlanger tegen de apinnencommissie beter eerst hun eigenlijke staart af te kappen, anders kunnen ze nooit een mens worden. Op aanraden van nr. 5 controleren de apinnen of nr. 17, d ik-figuur, een staart heeft of niet. Hierop adviseert de handlanger de apinnen bij hun rekest om afkapping van de eigenlijke staart te vragen.

De manipulerende aap nr. 5 zorgt voor een geschreven rekest en brengt deze tijdens de voortzetting van de vergadering aan nr. 1, die de inhoud hiervan nog niet kent, ter tafel. Nr. 1 schorst de vergadering als hij merkt dat wat erin staat haaks tegenover zijn mening staat. Er ontstaat ondanks waarschuwingen van nr. 1 over de gevolgen en ruzies tussen echtgenoten een steeds grotere aanhang vóór afkapping van de staart. De ik-figuur verwondert zich over dit enthousiasme.

Bij de voortzetting van de vergadering stelt aap nr. 1, nu hij dreigt te verliezen, om als proef om de desastreuze gevolgen aan te tonen door bij hemzelf de staart te couperen. In de eerste instantie wordt dit voorstel aangenomen maar later wordt onder invloed van de Vijfianen besloten voor een algemene afhakking. Onder grote vreugde van de apenbevolking wordt de dag en de wijze (de apen hakken in cirkels gezeten de staart van degene voor hen af) van de afhakking besloten. Kermislui uit de mensenwereld horen dit en trekken, bang voor hun winsten (het gebruik van apen bij hun voorstellingen), naar apenland om dit te voorkomen.

Als de afkapping wordt uitgevoerd,bloeden bijna alle apen dood. De Vijfianen druipen af, nr. 1 probeert te redden wat er nog te redden valt. Als de kermislui aankomen, prijzen ze nr. 1 maar voeren ze de Vijfianen weg. Als de ik-figuur dit met tranende ogen aanziet ontwaakt hij opeens, thuis, samen met zijn vrouw, dienstmeisje, hond en paard. Deze zeggen hem dat hij hoge koorts heeft gehad en heeft gedroomd. Van schrik vervalt de ik-figuur opnieuw in razernij.

maandag 2 juni 2014

Willem Jan Otten


Samenvatting

De tekst is een dankwoord van Willem Jan Otten dat hij schreef omdat hij de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwende werk heeft gekregen. In dit dankwoord stelt hij dat De essayistische zucht gaat gepaard met het verlangen om gedachten te delen, te ontlokken en te genereren. Het is de voortzetting van de voortplanting met andere middelen. Hoe waarachtiger de essayist is, des te volmondiger zal hij erkennen dat hij het ’ergens’ vandaan heeft. Hij zal het nooit helemaal zelf hebben bedacht.
Augustinus is begonnen met zich schrijvend te richten tot degene die hem aan het lezen is terwijl hij schrijft. In zijn dankwoord richt Willem Jan Otten zich ook tot de lezer en bedankt u.

Eigen mening

Ik ben het er mee eens dat ideeën nooit vanzelf komen. Wanneer iemand iets schrijft of onderzoekt zal hij dit altijd baseren op wat die persoon al kent, wat hij weet. Zelfs uitvindingen zijn niet aan één persoon toe te kennen. Ze zijn weliswaar door één persoon bedacht, maar altijd geïnspireerd door de omgeving. Ik vind het erg eerlijk van Willem Jan Otten dat hij dit toegeeft, aangezien het een dankwoord betreft. Hij had er voor kunnen kiezen alle eer naar zich zelf toe te trekken, maar gelukkig heeft hij dit niet gedaan.

Wat betreft het wenden tot de lezer kan ik niet ontkennen dat je je als lezer gevleid voelt wanneer een schrijver zich tot jou wendt. Het voelt persoonlijker en aangezien de mens graag persoonlijk aangesproken voelt, is het naar mijn mening een goede kwaliteit van een schrijver als hij de lezer met u aanspreekt.

maandag 26 mei 2014

Puntgedicht

Er was eens een man
Met een geweldig plan
Niemand feliciteerde hem voor zijn verjaardag
Dus riep hij "Bedankt voor de mooie bos bloemen" tegen ieder die hij die dag zag.

maandag 5 mei 2014

Wat is vrijheid?


Wat is vrijheid?

Vrij als een vogel.
Onbezorgd kunnen vliegen door het leven.
Waar je vleugels je ook heen brengen, daar zal het veilig zijn.
Veilig genoeg om je gedachten te zingen.
Om je voorkeur te uiten,
Je blijdschap te delen.

Vrij in het water.
Onbezorgd kunnen zwemmen in de ziltige zee.
Waar het water je ook heen zal laten stromen, daar zal het veilig zijn.
Zodat je jouw geloof kunt belijden.
Zodat je jouw mening kunt delen.
Zodat je kunt stemmen op wie jij maar wilt.

Vrij in de stad.
Onbezorgd kunnen lopen.
Waar je benen je ook heen zullen brengen, daar zal het veilig zijn.
Veilig genoeg om te kunnen studeren wat je wilt.
Om te lezen waar je behoefte aan hebt.
Zo veilig dat je zonder angst jouw leven kan leven.

Angst, censuur, minderheid.
Voel jij je veilig?
Voel jij je vrij?
Vrij als een vogel, vrij in het water, vrij in de stad waar je woont.
Voel jij je veilig genoeg om vrijheid te ervaren?

zondag 4 mei 2014

Van de Koele Meren des Doods


Frederik van Eeden

Frederik van Eeden is een van de meest veelzijdige schrijvers uit de Nederlandse literatuur. In het buitenland erkende men hem als vooraanstaand psychiater. Ook om zijn filosofische verhandelingen was hij bekend. De vader van Van Eeden was een groot kenner van de natuur. Daarover publiceerde hij in binnen- en buitenland. Hij stond in contact met Schopenhauer en Nietzsche. Frederik van Eeden ging in 1878 medicijnen studeren in Amsterdam. Al vrij snel maakte hij contact met jonge literatoren en schilders. Hij was mede-oprichter van het gezelschap Flanor, waarin voordrachten gehouden werden over moderne kunst en filosofie.
Hij was medeoprichter van de Nieuwe Gids.Aan De Nieuwe Gids werkte Van Eeden verder vooral mee met essays over sociale, filosofische en psychologische onderwerpen.In 1900 verscheen Van Eedens roman Van de koele meren des doods. Het zou een moralistisch antwoord zijn op Van Deyssels roman Een liefde (1888).


Geachte Hedwig,

Ik heb uwe brieven ontvangen per post deze morgen en ben zeer verrast over uwe uitspraken. Meent gy, dat u het bestaan van Onze Heer in twijfel heeft getrokken? Ik kan er met myn verstand niet by. Wat een schande dat deze gedachten in uw hoofd hebben rond gevlogen, ik ben bly dat u nu weer op het goede pad terecht bent gekomen.

Allereerst wil ik middels deze brief myn medeleving uiten ten aanzien van het overlijden van uwe moeder. Ik kan my voorstellen dat u het erg moeilijk heeft met de situatie. Echter zult u moeten begrypen dat uwe moeder elders nodig was. In de hemel zal zy als engel dienen. Zy zal naar u kijken, vanuit de hemel, dat kan u verzekeren. Zy zal zeer trots op u zyn en u de fouten die u in uwe leven heeft gemaakt vergeven, dat kan ik u verzekeren.

Hoewel een verlies altyd moeilyk is, kan ik maar niet begrijpen dat u na het verlies van uwe moeder het bidden had opgegeven. Onze Heer heeft u gebeden nodig, zoals u zijn antwoord nodig heeft om verder te kunnen met uwe leven. Bidden is belangrijk, myn beste Hedwig.

Ik ben dan ook zeer bly dat u nu in alle vrede leeft, met uwzelf en God verzoent. De Heer zal trots op u zijn. Net als ondergetekende. Ik hoop dat het u goed zal gaan de komende jaren. Misschien dat wy elkaar snel kunnen ontmoeten. Ik verheug me al op ons samenkomen.

Hoogachtend,
Uwe vriendin Sanne

Hallo Sanne,
Ik heb je e-mail ontvangen. Wat blij ben ik dat ik jouw profiel op facebook heb gevonden. Ik hoop je snel te zien, we hebben nog zoveel om over te praten. Ik hoop het goed met je gaat en dat je een steun voor me kan zijn in deze verwarrende periode.

Ik zit momenteel weer iets beter in mijn vel. Ik ben ontslagen uit het hospitaal en wil zo snel mogelijk terug naar Nederland. Zodra ik in Nederland aankom zal ik je een berichtje op whatsapp sturen. Wat is je nummer?

Alhoewel ik me beter voel, zijn er nog altijd momenten waarop ik intens verdrietig ben. Voornamelijk om het verlies van Charlotte. Ook kan ik opeens in huilen uitbarsten, omdat ik Gerard mis. Ik heb hem gevraagd of ik bij hem terug mag komen, maar hij wil dat ik alle contacten met hem verbreek.
Ook denk ik ook nog vaak aan Ritsaart. Ik hou van hem, ik zal hem nooit vergeten, hij zal altijd speciaal blijven. Echter wil ik hem niet meer ontmoeten. Ik ga nu verder met mijn eigen leven, zonder hem. Ik denk dat dat het beste is, voor mij.

De komende tijd hoop ik op vooruitgang. Er breken nieuwe tijden aan en ik denk dat ze voorspoedig zullen verlopen. Ik voorspel een zonnige toekomst, na een periode vol regenbuien.
Zoals ik al zei kan ik niet wachten om je te zien. Ik hoop dat we snel kunnen afspreken.

Ik spreek je gauw weer!
Heel veel liefs,
Hedwig



woensdag 12 maart 2014

Louis Couperus, De stille kracht

Louis Couperus, De stille kracht

Een klassieker, een geweldig literair werk en een echte must in iedere Nederlandse boekenkast. De stille kracht is een mystiek verhaal dat een kijkje geeft in het leven van een resident ten tijden van de Nederlandse overheersing in de Indische archipel. Het verhaal beschrijft het leven van Otto van Oudijck, resident in Laboewangi op het eiland Java. Hij woont samen met zijn vrouw Léonie. Zij bedriegt hem met Theo, Otto's zoon uit zijn eerste huwelijk, en met  Addy, de vriend van de dochter van Léonie en Otto. Ondertussen vinden er in Laboewangi onverklaarbare gebeurtenissen plaats. Tijdens een 'tafeldans' waarmee geesten worden opgeroepen wordt onheil voorspelt en ook zien verschillende personages in het boek 'de witte hadji'. Als resident van Oudijck na een feest een regent ontslaat, de pasar malam (Indonesische avondmarkt) op verkeerde datum laat plaatsvinden en een waterput laat plaatsen zonder een offermaal te geven, waarschuwt de inlandse bevolking voor de komst van kwade geesten. Léonie denkt dat de gebeurtenissen plaatsvinden als straf voor haar relatie met Theo. Ze wordt steeds banger en op een dag wordt ze in de badkamer bespat met bloed. Léonie verbreekt haar relatie met zowel Theo als Addy en vertrekt naar Europa. Ook de kinderen van de resident gaan het huis uit en als het personeel weglucht blijft Otto van Oudijck alleen achter in zijn huis. Hij begint ook te geloven in de stille kracht. Het boek eindigt wanneer de witte hadji grijnst, omdat de stille kracht sterker is gebleken dan de resident.

De stille kracht is duidelijk fictie, maar achter het mystieke verhaal zit een waarheidsgetrouwe beschrijving van het leven van een resident op Java. Vooral van de relatie tussen de Nederlanders en de Indiërs komt duidelijk naar voren in het boek. Zowel de relatie tussen de Nederlandse en inheemse bevolking als de relatie tussen de plaatselijke Nederlandse bestuurders en de Indische regenten wordt beschreven. In het boek negeert resident van Oudijck de inheemse gebruiken en wordt daarvoor gestraft. Dit is een verwijzing naar het verdwijnen van de mengcultuur in Nederlands-Indië. Deze mengcultuur was ontstaan toen de Nederlandse mannen, voornamelijk militairen, relaties aangingen met Indonesische vrouwen en kinderen van gemengd bloed kregen. Vanaf 1892 kregen deze kinderen, op voorwaarde dat ze door hun vader waren erkend, de Nederlandse nationaliteit. Dit zorgde ervoor dat ze zich bij de Europese bovenlaag mochten voegen. Door deze gelijkstelling kregen de Indo-Europeanen meer rechten dan de inlandse bevolking. Zo kregen ze betere banen en een voorkeurspositie als het ging om de invulling van functies voor de Nederlandse overheid. Na de Atjeh-oorlog en de invoering van de Agrarische wet en de Suikerwet in 1870 veranderde er veel in de onderlinge relaties. Door de nieuwe wetten werd particuliere exploitatie van de kolonie mogelijk. Deze openstelling van de kolonie zorgde ervoor dat er tussen 1880 en 1900 steeds meer Nederlanders naar Nederlands-Indië vertrokken om te kunnen profiteren van de kolonie. Ook de verbetering van het transport draagde hier aan bij. De kolonisten liepen met hun kennis steeds verder voor op de lokale bevolking. Europa ontwikkelde had zich namelijk sterk ontwikkeld. Een gevolg was dat de nieuwe immigranten uit Nederland zich minder aanpasten aan de lokale bevolking. Een van de oorzaken van het onstaan van de Indo-Europese bevolkingsgroep was het tekort aan vrouwen van Europese afkomst. Nu er met de nieuwe immigrantenstroom uit Nederland ook meer vrouwen naar Nederlands-Indië gingen de kolonisten zich steeds meer onderscheiden van de autochtone bevolking. De mengcultuur werd door deze twee oorzaken steeds verder naar de achtergrond gedreven. De blanken leefden steeds meer gescheiden van de inheemsen. De cultuur van de bovenlaag van de Indische bevolking werd dan ook steeds sterker Europees van aard.

Louis Couprus heeft De stille kracht in geschreven toen hij in 1899 eerst bij zijn broer en daarna bij zijn zus op Java bezocht. De familie van Couperus had sterke banden met Nederlands-Indië. Zo was zijn vader lid van de Raad van Justitie in Padang en bekleedde deze positie in 1846 in Batavia. In 1850 werd hij raadsheer van het Hoge Gerechtshof in Batavia. De moeder van Couperus had tevens een band met Indië. Haar vader, de grootvader van Couperus, was namelijk waarnemend gouveneur-generaal. Door deze banden en de indrukken die hij opdeed bij zijn broer en zus heeft Couperus inspiratie kunnen opdoen voor De stille kracht. 

Couperus beschrijft het Nederlands-Indië zoals hij het kende in detail. Hij weet de spanning goed op te bouwen en de beschrijving van de stille kracht is gedetailleerd, maar toch mysterieus. De schrijfstijl spreekt me erg aan, alhoewel ik even moest doorzetten om door het begin heen te komen. Eenmaal in het verhaal verweven, wil je weten hoe de personages zich ontwikkelen en hoe de stille kracht tot uiting komt. Toch is De stille kracht meer dan een goed literair werk. Het boek is vooral een vereeuwiging van de vaderlandse geschiedenis. 


Samenvatting
Het verhaal van de stille kracht speelt zich af in Laboewangi op het eiland Java. Otto van Oudijck is daar resident. Hij woont samen met zijn tweede vrouw Léonie. Zij bedriegt hem met Theo, zijn zoon uit zijn eerste huwelijk en met Addy de Luce, een jongen van Solose afkomst. Addy is een echte veleider en heeft niet alleen een affaire met Léonie, maar ook met Doddy, de dochter van Otto en Léonie.Na een feest onstlaat de resident een regent wegens openbaar dronkenschap. Dit zorgt voor veel ongeloof bij de lokale bevolking. Daarna negeert de resident verschillende lokale gebruiken. Zo laat hij de pasar malam (een indonesische avondmarkt) op een verkeerde datum plaatsvinden en laat hij een nieuwe waterput bouwen zonder een offermaal te geven. De inlandse bevolking waarschuwt voor de komst kwade geesten wanneer als de resident de gebruiken negeert, maar de resident ziet er de ernst van niet in.Ondertussen ontvangt de residentt anomieme brieven waarin wordt gesproken over Léonie en de verhoudingen die zij heeft. Otto gelooft niet in deze verhalen. In de brieven staat ook informatie over de onbekende zoon van Otto, si-Oudijck. Hij zou op een kampng wonen. Otto wil zijn zoon niet erkennen, omdat de moeder een huishoudster is waar Otto ooit een verhouding mee heeft gehad. Otto besluit de brieven aan Léonie te laten lezen. Zij wordt er bang van en snapt niet hoe de geruchten naar buiten zijn gekomen. Om de kwade geesten en de bevolking gerust te stemmen, vraagt Léonie aan Otto om in te stemmen met de inlandse gebruiken en alsnog een sedeka (een offermaal) te organiseren voor de nieuwe waterput. Otto stemt er niet mee in. Dan vinden er weer onverklaarbare gebeurtenissen plaats. Léonie en Theo horen herhaadelijk het gehuil van kleine kinderen en er wordt een steen in het huis van Otto en Léonie gegooid. Ook Doddy en Addy worden tijdens een wandeling met stenen bekogeld.Léonie denkt dat de onverklaarbare gebeurentissen het gevolg zijn van haar verhouding met Theo en wordt steeds banger. Ze vindt het eng om in het donker alleen te zijn en wil zo snel mogelijk bij Theo weg om vroeg thuis te zijn, zodat ze zich kan baden. Haar ontmoeting met Theo blijkt echter langer te duren dan verwacht en ze moet baden in het donker. Als ze klaar is en zich wil afdrogen, wordt ze vanuit alle hoeken van de badkamer bespat met bloed. Léonie is vreselijk bang, maar wil niet dat Otto weet wat er gebeurd is. Ze gaat bij kenissen logeren in Soerabaia. Doddy gaat bij de familie de Luce wonen en ook Theo en het personeel van de resident vertrekken. Otto blijft alleen achter.De resident blijft nuchter onder de omstandigheden en laat de zaak rond de badkamer onderzoeken. De badkamer wordt afgebroken, het huis wordt schoongemaakt en Otto gaat met de reeds ontslagen resident praten. Hierna lijkt de stille kracht verdwenen. Léonie keert terug naar Otto, maar blijft bang. Ze beëindigt haar relatie met Theo, omdat ze nog steeds van mening is dat hun affaire de oorzaak van de stille kracht is. Léonie blijft omgaan met Addy, dit maakt zowel Theo als Doddy erg jaloers. Léonie is op haar beurt jaloers op Doddy en is nog steeds zenuwachtig en bang. Ze wil naar Parijs vertrekken. Ze vraagt Addy met haar mee te gaan, maar hij weigert. Otto ziet dat Addy en Léonie samen zijn, daarom verzint Léonie dat Addy vraagt om hij met Doddy mag trouwen. Otto stemt er mee in, maar wantrouwt Léonie. Ze scheiden en Léonie vertrekt alleen naar Parijs.Ondertussen begint Otto ook te geloven in de stille kracht. Hij ontdekt van de brieven afkomen van zijn buitenechtelijke zoon. Om het geheim in stand te houden geeft hij si-Oudijck geld.Eva en Onno Eldersma vertrekken naar Europa. Eva wil voor haar vertrek afscheid nemen van Otto. Ze praten over de stille kracht en Otto erkent het bestaan ervan. Ze zien een groep hadji’s en achter hen grijnst een grote witte hadji, omdat de stille kracht sterker is gebleken dan de resident.

Praktische opdracht

De relatie van Louis Couperus met Nederlands-Indië

Louis Couperus wordt beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers. Hij werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag en overleed op 16 juli 1923 in De Steeg.Zijn familie had sterke banden met Nederlands-Indië. Zo was zijn vader lid van de Raad van Justitie in Padang en bekleedde deze positie in 1846 in Batavia. In 1850 werd hij raadsheer van het Hoge Gerechtshof in Batavia. De moeder van Couperus had tevens een band met Indië. Haar vader, de grootvader van Couperus, was namelijk waarnemend gouverneur-generaal.

In 1872 vertrok Couperus voor het eerst in zijn leven naar Indië. Het gezin vestigde zich in Batavia. Louis Couperus woonde hier zes jaar, daarna vertrok het gezin weer naar Nederland. In 1899 bezocht Couperus voor de tweede keer de kolonie. Hij verbleef eerst een paar weken bij zijn broer die assistent-resident was op Java. Vier maanden later vertrok hij naar zijn zus en zwager, de resident van Passoeroean. Tijdens deze reis schreef hij De stille kracht. Door de familiebanden en de jaren waarin hij tijdens zijn jeugd in Indië verbleef, wist Couperus al veel van het leven in de kolonie. Hij baseerde het boek dan ook gedeeltelijk op zijn jeugdherinneringen en het residentiehuis van zijn zwager.

Hoewel het boek fictie is, komt de relatie tussen de Nederlanders en de Indiërs duidelijk naar voren. In het boek worden verscheidene Indische gebruiken beschreven die zowel de Nederlandse bevolking als de plaatselijke Nederlandse bestuurders negeren. Ook de relatie tussen de regenten en de residenten staat centraal. 

De stille kracht

Het verhaal van de stille kracht speelt zich af in Laboewangi op het eiland Java. Otto van Oudijck is daar resident. Hij woont samen met zijn tweede vrouw Léonie. Zij bedriegt hem met Theo, zijn zoon uit zijn eerste huwelijk en met Addy de Luce, een jongen van Solose afkomst. Addy is een echte verleider en heeft niet alleen een affaire met Léonie, maar ook met Doddy, de dochter van Otto en Léonie. Ondertussen vinden er in Laboewangi onverklaarbare gebeurtenissen plaats. Als secretaris Onno Eldersma en zijn vrouw Eva een etentje organiseren, besluiten ze daarna een ‘tafeldans’ te doen. Ze proberen geesten op te roepen die door middel van de tafel met hen kunnen communiceren. De tafel voorspelt onheil. De inwoners van Laboewangi schrijven dit toe aan ‘de stille kracht’. Resident van Oudijck gelooft hier niet in. Ondertussen zien verschillende personages in het boek ‘de witte hadji’ (de belichaming van De stille kracht).

Na een feest ontslaat de resident een regent wegens openbaar dronkenschap. Dit zorgt voor veel ongeloof bij de lokale bevolking. Daarna negeert de resident verschillende lokale gebruiken. Zo laat hij de pasar malam (een Indonesische avondmarkt) op een verkeerde datum plaatsvinden en laat hij een nieuwe waterput plaatsen zonder een offermaal te geven. De inlandse bevolking waarschuwt voor de komst kwade geesten wanneer als de resident de gebruiken negeert, maar de resident ziet er de ernst van niet in.

Ondertussen ontvangt de resident anonieme brieven waarin wordt gesproken over Léonie en de verhoudingen die zij heeft. Otto gelooft niet in deze verhalen. In de brieven staat ook informatie over de onbekende zoon van Otto, si-Oudijck. Hij zou op een kampong wonen. Otto wil zijn zoon niet erkennen, omdat de moeder een huishoudster is waar Otto ooit een verhouding mee heeft gehad. Otto besluit de brieven aan Léonie te laten lezen. Zij wordt er bang van en snapt niet hoe de geruchten naar buiten zijn gekomen. Om de kwade geesten en de bevolking gerust te stemmen, vraagt Léonie aan Otto om in te stemmen met de inlandse gebruiken en alsnog een sedeka (een offermaal) te organiseren voor de nieuwe waterput. Otto stemt er niet mee in. Dan vinden er weer onverklaarbare gebeurtenissen plaats. Léonie en Theo horen herhaaldelijk het gehuil van kleine kinderen en er wordt een steen in het huis van Otto en Léonie gegooid. Ook Doddy en Addy worden tijdens een wandeling met stenen bekogeld. Léonie denkt dat de onverklaarbare gebeurentissen het gevolg zijn van haar verhouding met Theo en wordt steeds banger. Ze vindt het eng om in het donker alleen te zijn en wil zo snel mogelijk bij Theo weg om vroeg thuis te zijn, zodat ze zich kan baden. Haar ontmoeting met Theo blijkt echter langer te duren dan verwacht en ze moet baden in het donker. Als ze klaar is en zich wil afdrogen, wordt ze vanuit alle hoeken van de badkamer bespat met bloed. Léonie is vreselijk bang, maar wil niet dat Otto weet wat er gebeurd is. Ze gaat bij kennissen logeren in Soerabaia. Doddy gaat bij de familie de Luce wonen en ook Theo en het personeel van de resident vertrekken. Otto blijft alleen achter.

De resident blijft nuchter onder de omstandigheden en laat de zaak rond de badkamer onderzoeken. De badkamer wordt afgebroken, het huis wordt schoongemaakt en Otto gaat met de reeds ontslagen resident praten. Hierna lijkt de stille kracht verdwenen. Léonie keert terug naar Otto, maar blijft bang. Ze beëindigt haar relatie met Theo, omdat ze nog steeds van mening is dat hun affaire de oorzaak van de stille kracht is. Léonie blijft omgaan met Addy, dit maakt zowel Theo als Doddy erg jaloers. Léonie is op haar beurt jaloers op Doddy en is nog steeds zenuwachtig en bang. Ze wil naar Parijs vertrekken. Ze vraagt Addy met haar mee te gaan, maar hij weigert. Otto ziet dat Addy en Léonie samen zijn, daarom verzint Léonie dat Addy vraagt om hij met Doddy mag trouwen. Otto stemt er mee in, maar wantrouwt Léonie. Ze scheiden en Léonie vertrekt alleen naar Parijs.Ondertussen voelt Otto zich steeds zieker en zwakker worden. Hij begint ook te geloven in de stille kracht. Otto ontdekt van de brieven afkomen van zijn buitenechtelijke zoon. Om het geheim in stand te houden geeft hij si-Oudijck geld.Eva en Onno Eldersma vertrekken naar Europa. Eva wil voor haar vertrek afscheid nemen van Otto. Ze praten over de stille kracht en Otto erkent het bestaan ervan. Ze zien een groep hadji’s en achter hen grijnst een grote witte hadji, omdat de stille kracht sterker is gebleken dan de resident. 

Historische achtergrond

De stille kracht behandeld de relatie tussen de Nederlanders en de Indiërs. In het boek komt zowel de relatie tussen het inlandse en koloniale bestuur aan bod als de relatie tussen de Indische burgers en de Nederlandse bevolking in Nederlands-Indië. Het boek is uitgegeven in 1900, daarom richt ik mij op de hier aan voorafgaande periode.
Achtergrond informatie

Rond 1596 kwamen de eerste Nederlandse schepen naar de archipel die wij nu kennen als Indonesië. De Nederlanders richtten in 1602 de VOC op, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een monopolie op de overzeese handel tussen Nederland en het gebied ten oosten van de Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. Met de stichting van de VOC begint een relatie tussen Nederland en Indonesië die nog lang zal voort duren.

In 1795 gaat de VOC failliet, waardoor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden haar machtspositie in Europa verliest. De Fransen krijgen invloed op Nederland en zo ook op Indonesië. Na de val van Napoleon willen de Engelsen van Nederland een sterk en machtig land maken om een eventuele tweede opmars van de Fransen te voorkomen. Ze geven Nederland een deel van haar VOC bezettingen terug.

In 1816 wordt Van der Capellen aangesteld als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In Nederland heerste optimisme dat de kolonie voor welvaart zou zorgen, maar de archipel leverde verlies op en de Indische vorsten en regenten verzetten zich tegen de Nederlandse macht. Na de Java-oorlog komt Nederland tot het besef dat er een andere aanpak nodig is om de kolonie winstgevend te maken en opstanden van het inlandse bestuur te voorkomen. In 1830 wordt daarom Johannes van den Bosch aangesteld tot gouverneur generaal, die het cultuurstelsel invoerde.

Het bestuur in Nederlands-Indië

Van Den Bosch voerde een dualistisch bestuursstelsel in. Hierin functioneerden het inlandse en Nederlandse bestuur naast elkaar. Het hoofd van het Nederlandse bestuur, het Binnenlands bestuur, was de gouverneur-generaal. Hij regeerde in naam van de koning en werd voor vijf jaar benoemd. Onder hem stonden de ambtelijke diensten in Batavia en de residenten, die de provincies bestuurden. De provincies waren onderverdeeld in afdelingen, waar assistent-residenten aan het hoofd stonden. Daaronder stonden controleurs. Naast de assistent-resident stond een inlands hoofd met de titel van regent. Regenten waren de hoogste bestuurders van Inlands Bestuur. Zij waren bijvoorbeeld leden van de hoge adel of nakomelingen van vroegere vorstenfamilies. De regenten hadden lagere hoofden onder zich. In praktijk konden regenten hun gang gaan. Ze waren abtenaren in dienst van Nederland, maar ook feodale heersers en dus hoog in aanzien voor de Indonesische bevolking. Dat hun ambt erfelijk was, droeg ook voor een groot deel bij aan deze macht.Na de afschaffing van het cultuurstelsel volgde een periode van politieke onthouding. De buitengewesten kosten Nederland veel geld, daarom besloot van Den Bosch rond 1830 dat het bestuur buiten Java werd overgelaten aan lokale vorsten op voorwaarde dat zij het Nederlandse gezag erkende. Echter hield Nederland de onthoudingspolitiek niet vol. Geleidelijk liet Nederland het gezag in de buitengebieden sterker gelden met als gevolg de Atjeh-oorlog die in 1873 begon. Generaal van Heutz begon een guerrillaoorlog. Toen in 1903 de belangrijkste inheemse leiders zich overgaven, verklaarde van Heutz dat Atjeh was gepacificeerd. Hoewel de oorlog nog tien jaar zou duren, moesten het inheemse bestuur de Korte Verklaring ondertekenen. Hierin beloofden ze zich te onderwerpen aan het Nederlandse gezag, geen betrekkingen met vreemde mogendheden te onderhouden en trouw de regels van het gouvernement na te komen. Op papier hielden de inheemse leiders in ruil voor deze afspraken een zekere zelfstandigheid. In de praktijk waren het de Nederlandse abtenaren die de dienst uit maakten.

De relatie tussen de Nederlanders en de inlandse bevolking

De bevolking van Nederlands-Indië bestond uit drie groepen: de Europeanen ‘Vreemde Oosterlingen’ (onder andere Chinezen, Arabieren en Maleiers) en de inlanders. De Europeanen vormden de maatschappelijke bovenlaag. Deze klasse bestond hoofdzakelijk uit Nederlanders.

Ten tijde van de VOC waren de contacten tussen Nederland en Indië voornamelijk zakelijk en formeel, ze waren namelijk vooral gebaseerd op economie en politiek. Van sociale contacten was nauwelijks spraken. Dit veranderde toen veel Europese mannen, voornamelijk militairen, relaties kregen met Indonesische vrouwen. Doordat ze kinderen van gemengd bloed kregen ontstond er tussen de koloniale bovenlaag en de inlandse bevolking een tussenlaag. Deze Indo-Europeanen (ook wel Indo’s of Indische Nederlanders genoemd) werden als tweederangs Nederlanders beschouwd Vanaf 1892 kregen deze kinderen, op voorwaarde dat ze door hun vader waren erkend, de Nederlandse nationaliteit. Dit zorgde ervoor dat ze zich bij de Europese bovenlaag mochten voegen. Door deze gelijkstelling kregen de Indo-Europeanen meer rechten dan de inlandse bevolking. Zo kregen ze betere banen en een voorkeurspositie als het ging om de invulling van functies voor de Nederlandse overheid.

Vooral door de Indo-Europeanen ontstond er een mengcultuur in Nederlands-Indië. De Nederlanders profileerden zich ten aanzien van de Indonesische bevolking erg Europees, maar binnenshuis werden de inlandse gebruiken over genomen.Na de Atjeh-oorlog en de invoering van de Agrarische wet en de Suikerwet in 1870 veranderde er veel in de onderlinge relaties. Door de nieuwe wetten werd particuliere exploitatie van de kolonie mogelijk. Deze openstelling van de kolonie zorgde ervoor dat er tussen 1880 en 1900 steeds meer Nederlanders naar Nederlands-Indië vertrokken om te kunnen profiteren van de kolonie. Ook de verbetering van het transport droeg hier aan bij. Dankzij de komst van het Suezkanaal daalde de reistijd van vier maanden tot vijf weken. Het aantal Europeanen in Nederlands-Indië verdubbelde hierdoor tot 90 duizend. De kolonisten liepen met hun kennis steeds verder voor op de lokale bevolking. Europa ontwikkelde had zich namelijk sterk ontwikkeld. Een gevolg was dat de nieuwe immigranten uit Nederland zich minder aanpasten aan de lokale bevolking. Een van de oorzaken van het ontstaan van de Indo-Europese bevolkingsgroep was het tekort aan vrouwen van Europese afkomst. Nu er met de nieuwe immigrantenstroom uit Nederland ook meer vrouwen naar Nederlands-Indië gingen de kolonisten zich steeds meer onderscheiden van de autochtone bevolking. De mengcultuur werd door deze twee oorzaken steeds verder naar de achtergrond gedreven. De blanken leefden steeds meer gescheiden van de inheemsen. De cultuur van de bovenlaag van de Indische bevolking werd dan ook steeds sterker Europees van aard.

De jaren 1870 tot 1920 zijn later verheerlijkt als ‘tempo doeloe’, de goede oude tijd waarin de verhoudingen tussen de Europeanen en de Indonesiërs nog goed waren en men ontspannen leefde. In de praktijk was deze tijd echter minder rooskleurig. Veel Javanen kwamen namelijk na de invoering van de Agrarische wet en de Suiker wet in dienst van Nederlandse ondernemers. Deze ‘koelies’ verdienden een zeer laag loon en hadden weinig aanzien. Tegelijkertijd stegen de belastingen zodat de Javanen op deze manier de imperialistische expansie en de uitbreiding van het bestuur te financiëren. De ‘koelies’ woonden in kale barakken zonder sanitaire voorzieningen en medische zorg. De Nederlanders voelden zich superieur en waren uit op winst, de werkomstandigheden van de koelies waren voor hen niet van belang.

Toch waren er ook Nederlanders die opkwamen voor de belangen van de Indonesische bevolking. De leider van de oppositie tegen de liberalen, Abraham Kuyper, schreef in 1879 in het beginselprogramma van de Anti-Revolutionaire partij dat Nederland verplichtingen tegenover Indië had. Het had de voogdij over een bevolking die het moest opvoeden tot meer zelfstandigheid. Deze voogdijgedachte kreeg de overhand toen ook de liberalen haar overnamen. De doorbraak kwam in 1899 (het jaar dat Couperus De stille kracht schreef) met een artikel van de liberaal van Deventer in het gezaghebbende tijdschrift de gids. Volgens Van Deventer had Nederland een ereschuld. Het moest de miljoenen die via het cultuurstelsel uit de kolonie gehaald waren, terugbetalen. Er moesten forse bedragen geïnvesteerd worden in onderwijs en economische ontwikkelingen van de inheemse bevolking. Het was geen toeval dat dit pleidooi juist rond deze tijd kwam. In Nederland kwam tijdens het eind van de negentiende eeuw een eind aan het liberale beleid van staatsonthouding en werd een begin gemaakt met sociale wetgeving. In 1901 nam de tweede kamer de conclusies van Deventer dan ook over en Abraham kyper, die in dat jaar president werd, nam ze op in zijn eerste Troonrede. Daarmee werd de Ethische Politiek het officiële beleid. 

Koppeling aan het boek

In De stille kracht wordt het bestuur in Nederlands-Indië beschreven door middel van de verhoudingen tussen de regenten en residenten. Dit komt bijvoorbeeld naar voren wanneer resident Otto van Oudijck de plaatselijke regent ontslaat na openbaar dronkenschap. De inlandse bevolking in ontzet, omdat de regenten voor hen veel aanzien hebben. De relatie tussen de Nederlandse en Indonesische bevolking komt goed naar voren wanneer in het boek wordt geschreven over het negeren van de plaatselijke gebruiken. Het negeren hiervan is een voorbeeld van het langzaam verdwijnen van de mengcultuur. Ook laat Couperus in het boek de intenties van de Nederlanders aan bod komen. Hij laat de lezer weten dat de Nederlands uit zijn op geld en geen rekening houden met de wensen van de inlandse bevolking. Zijn mening komt het sterkst naar voren in het laatste hoofdstuk waar hij schrijft: “Arm Indie…wat schelden ze er niet op. Het land kan het toch niet helpen, dat er Kaninefaten op zijn grond zijn gekomen, barbaarse veroveraars, die maar rijk willen worden en weg…En als ze dan niet rijk worden…dan schelden ze: op de warmte, die God het van den beginne gegeven heeft…op het gemis aan voedsel voor ziel en geest…Ziel en geest van de Kaninefaat.” 
Hoewel Couperus dus duidelijk laat zien dat de bevolking van Nederlands-Indië wordt uitgebuit, schrijft hij De stille kracht niet om te activeren. Het boek legt vooral de cultuur van Indië en de bijbehorende gebruiken vast. Hoewel het boek fictie is, geeft het naar mijn mening een goed beeld van de reeds beschreven historische achtergronden. Om deze reden ben ik van mening dat De stille kracht een belangrijk historisch werk is dat op iedere Nederlandse boekenplank thuis hoort. 

Bronnen

Couperus, Louis, De stille kracht, Athenaeum-Polak & Van Gennep, twaalfde druk, juni 2013

Verkuil, D ,Geschiedeniswerkplaats: de koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië, Noordhoff Uitgevers B.V, september 2006

Vos, Kirsten, Koloniale geschiedenis: Nederlands-Indië, gepubliceerd: 13 augustus 2012, geraadpleegd: maart 2014, http://www.indisch3.nl/,